Door: Han van de Wiel
Duurzame ontwikkeling moet een centrale plaats krijgen in het onderwijs. Vindt ook de overheid. Het programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling steunt het onderwijs hierbij. We zijn alweer halverwege de Decade on Education for Sustainable Development waartoe de VN opriep. Wil het een beetje opschieten in het onderwijs?
Bekende en minder bekende Nederlanders lazen op 11 november, tijdens de Dag van de Duurzaamheid, op 900 basisscholen voor uit Mr Finney en de andere kant van het water, een boek van Laurentien van Oranje en Sieb Posthuma. Een eiland lijkt te verdwijnen in zee, maar Mr Finney schiet te hulp en zoekt naar antwoorden op vragen over het wassende water. Deze voorleesactie is een voorbeeld van de manier waarop scholen bezig zijn duurzame ontwikkeling tussen de oren van scholieren en studenten te krijgen, zegt André de Hamer. Hij is coördinator van Duurzame Pabo, het netwerk van pabo’s en basisscholen die actief bezig zijn met duurzame ontwikkeling in het onderwijs.
In 2005 riepen de Verenigde Naties de Decade on Education for Sustainable Development uit. Tien jaar lang moest er extra aandacht komen voor duurzame ontwikkeling in het onderwijs, om ervoor te zorgen dat jongeren in de hele wereld uit de voeten kunnen met dit containerbegrip. De Nederlandse regering steunt het initiatief met het programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling. Hoe het er halverwege het decennium in Nederland voorstaat met het onderwijzen in duurzaamheid is een lastige vraag. Duurzame ontwikkeling is een glibberig onderwerp, leren voor duurzame ontwikkeling maakt het er niet gemakkelijker op. Theo van Bruggen, programmamanager Leren voor Duurzame Ontwikkeling, formuleert het in een publicatie zo: 'Er mag geen kind meer van school komen, dat niet weet wat de effecten zijn op de leefomgeving als hij een wc doorspoelt, eet of in de auto stapt. Zij zijn de vernieuwers van de toekomst, dus ook hen willen we daarop voorbereiden'. Het overheidsprogramma Leren voor Duurzame Ontwikkeling (LvDO), dat zich onder andere richt op de onderwijssector, wil de aandacht voor duurzaamheid uit de marge en de losse projecten halen en mainstream maken. Dat wil zeggen: integreren in de hele lesstof. Alleen dan kan steeds een bewuste afweging worden gemaakt tussen de drie pijlers van duurzame ontwikkeling: people, planet en profit. Doel van het programma is 'het ontwikkelen, ondersteunen en verspreiden van effectieve leerprocessen die duurzame ontwikkeling mogelijk maken en versnellen.'
Beginnetje
De afgelopen tijd zijn onderwijsnetwerken opgezet die het leren voor duurzame ontwikkeling in hun specifieke onderwijsrichting stimuleren: Duurzaam Middelbaar Beroeps Onderwijs, Duurzaam Hoger onderwijs, en Duurzame Pabo. Hierin zijn 30 hogescholen, alle 15 universiteiten, 19 Regionale Opleidings Centra (roc’s) en Agrarische Opleidingscentra(aoc’s) en 20 pabo’s aangesloten. Samen vertegenwoordigen zij ongeveer 50 procent van de studenten in het Middelbaar Beroeps Onderwijs (mbo), Hoger Beroeps Onderwijs (hbo) en Wetenschappelijk Onderwijs (wo). Die hoge aantallen zeggen weinig over de praktijk van alledag. In het basisonderwijs staat het taal- en rekenonderwijs nog steeds op nummer 1, 2, en 3. Ouders en media rekenen scholen keihard af op de Citoresultaten. Bij sommige vakken, en in aparte projecten, wordt incidenteel aandacht geschonken aan duurzaamheid. De lobby voor taal en rekenen is heel sterk. In het voortgezet onderwijs is het niet veel beter. Vakken als biologie en aardrijkskunde besteden aandacht aan sommige aspecten van duurzaamheid, maar bij economie of Nederlands komt het begrip duurzaamheid nauwelijks voor. In het vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) gaat het in het algemeen wat beter, maar ook hier houdt het niet over. Volgens direct betrokkenen is er hooguit een beginnetje gemaakt met het integreren van duurzame ontwikkeling in het onderwijs.
Er zijn genoeg redenen om duurzame ontwikkeling serieus te nemen in het onderwijs. De meest klemmende is het groeiende besef dat we niet kunnen doorgaan op de ingeslagen weg. De meest prozaïsche is dat steeds meer bedrijven en overheden de groene boodschap hebben begrepen en hun bedrijfsvoering verduurzamen. Misschien niet altijd naar ieders tevredenheid, maar de eerste ferme stappen worden gemaakt. Deze werkgevers hebben werknemers nodig die snappen wat duurzame ontwikkeling betekent en die er mee uit de voeten kunnen. Het onderwijs moet dus competenties en vaardigheden aanleren die hierop aansluiten. De eerdergenoemde voorleesactie van Mr Finney op de Dag van de Duurzaamheid, georganiseerd door de Missing Chapter Foundation die Laurentien van Oranje in 2009 oprichtte, is een voorbeeld van hoe duurzaamheid kan worden geïntegreerd in het reguliere onderwijs. De stichting organiseert ook dialoogsessies waarbij toonaangevende bedrijven in gesprek gaan met jongeren en kinderen (Raad van kinderen, zie www.missingchapter.org) over hun strategische duurzaamheidsdilemma’s. De kinderen komen tot nieuwe inzichten en ideeën die bijdragen aan een oplossing. Om tot oplossingen te komen moeten de kinderen al hun vaardigheden inzetten (over regulier onderwijs gesproken!) om - bijvoorbeeld - het effect op CO2- uitstoot te bepalen.
Allergisch
Toch is het bepaald niet vanzelfsprekend dat het onderwijs warmloopt voor duurzaamheid. Een aantal ontwikkelingen is daarvoor verantwoordelijk. Om te beginnen is het onderwijs allergisch geworden van alle opdrachten die het van buiten krijgt. Antoine Heideveld werkt voor Agentschap NL, waar hij zich ondermeer bezighoudt met de integratie van duurzame ontwikkeling in het onderwijs, van basisschool tot universiteit. Het onderwijs, zegt Heideveld, heeft een broertje dood aan alle maatschappelijke problemen die over de schutting van het onderwijs worden gegooid met de vraag, of opdracht, er aandacht aan te besteden tijdens de lessen. Inmiddels is dat een lange en bonte waslijst van onderwerpen. Veel zinniger, zegt Heideveld, is het om vanuit de docent te denken. 'Op elke school zijn docenten die graag met het onderwerp aan de slag willen. Niet kennis, bijvoorbeeld over duurzame ontwikkeling, blijkt het probleem te zijn, maar de manier waarop je er in de klas, tijdens de lessen, iets mee kunt. We laten zien hoe het kan werken. De tijd van zenden van buiten naar binnen is voorbij.' Hij geeft een voorbeeld uit eigen ervaring. 'De juf van mijn zoontje beklaagde zich erover dat ze geen tijd meer heeft voor zingen, terwijl dat op basisscholen een belangrijk vak is. Groep 3 moet namelijk leren rekenen en schrijven. De eerste weken moest mijn zoontje in hoog tempo 18 letters leren. Maar er zijn toch genoeg liedjes over letters, zei ik. Daar had ze niet bij stil gestaan. Het is maar een klein voorbeeld van de manier waarop je rekenen kunt integreren met een ander vak.' Een mogelijk grotere barrière voor duurzame ontwikkeling in het onderwijs is dat het over alle disciplines heen gaat. Dat is niet alleen lastig in het basisonderwijs, met zijn hernieuwde nadruk op rekenen en taal, maar ook in het middelbare en voortgezet onderwijs. Het onderwijs is er eenvoudigweg niet op ingericht. Heideveld en De Hamer pleiten voor betekenisvol of ervaringsgericht leren. Daarvan is sprake als het leren voor de lerende betekenis heeft: hij of zij is zich ervan bewust waarmee hij op dat moment bezig is en waartoe het kan leiden. De Hamer: 'Daarmee scoor je ook heel goed op taal en rekenen, zo blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Maar er is een sterke lobby voor taal en rekenen.' Een natuurles in de buitenlucht wordt vaak als apart project opgezet. Dan hebben de verzamelde of waargenomen objecten nauwelijks betekenis buiten het kader van die les. Maar je kunt er ook mee rekenen, taallessen aan verbinden. Dat is de geïntegreerde benadering waar Heideveld en De Hamer enthousiast van worden.
Aansturing
Maar de grootste hindernis bij het leren voor duurzame ontwikkeling is dat onderwijsinstellingen in hoge mate autonoom zijn, zelf zorgen voor hun profilering en voor een groot deel ook de inhoud van hun lessen bepalen. De beruchte stroomcirculaires met regels en voorschriften uit Zoetermeer, waar het ministerie van Onderwijs is gevestigd, is al enige tijd opgedroogd. Er bestaan geen voorschriften voor scholen om LvDO op te nemen in het aanbod en de politiek is al enige tijd heel terughoudend met het toevoegen van leerinhouden of het stimuleren van maatschappelijke thema’s in het onderwijs. Dat is de grote frustratie van Rob de Vrind. Hij is duurzaamheidcoördinator van het ROC Koning Willem I College in Den Bosch. En voor officieel één dag in de week ('in de praktijk zijn dat er wel meer') coördineert hij samen met Arie Dorsman het netwerk Duurzame MBO (DMBO). De Vrind: 'De overheid doet te weinig. Het ministerie bemoeit zich in principe niet met de inhoud van het onderwijs. Taal en rekenen vormen daarop een uitzondering. Zei iemand van het ministerie maar eens dat duurzame ontwikkeling belangrijk is voor de O’s. Maar de scholen willen autonomie en bepalen zelf hoe ze het onderwijs inrichten. Zo droevig is het.' De Vrind geeft een hele opsomming van alle indrukwekkende resultaten die in de mbo ('met 625 duizend leerlingen de ruggengraat van het onderwijs') zijn bereikt, maar 'het is niet geïnstitutionaliseerd'. Het gaat De Vrind er niet om dat het ministerie van Onderwijs zich weer actief met de lesstof gaat bemoeien. Wel dat centrale aansturing zijn werk zou vergemakkelijken. Nu moet hij duwen en trekken om het onderwerp duurzame ontwikkeling onder de aandacht te krijgen van de besturen van de O’s. En dat lukt maar heel moeizaam. 'Daardoor doet zich de vreemde situatie voor dat steeds meer bedrijven groene competenties vragen maar dat onze leerlingen er niet op tijd klaar voor zijn.'
'Leren voor Duurzame Ontwikkeling gaat in ieder geval door tot en met 2012', zegt Heideveld van Agentschap NL. 'Daarna is de overheid niet meer de enige financier, anderen moeten meebetalen.' Met name de onderwijsinstellingen zelf moeten gaan bijdragen, bijvoorbeeld in de vorm van contributie. Komend jaar zal blijken of het zaadje van duurzame ontwikkeling in het hart van het onderwijs tot ontkieming is gekomen.
Dit artikel verscheen eerder in MilieuMagazine 1011 (2011)
Het programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling is een gezamenlijk initiatief van de ministeries van EL&I, I&M, OCW, AZ en BuZa/OS, de provincies en waterschappen. Het programmabureau Leren voor Duurzame Ontwikkeling is ondergebracht bij Agentschap NL
Programmabureau LvDO
Croeselaan 15
Postbus 8242
3503 RE Utrecht
Tel: 088 602 72 10
info@lerenvoorduurzameontwikkeling.nl